Test header

Webinar Omgevingswet en VTH in het waterdomein terugkijken

De Omgevingswet en de veranderingen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving in het waterdomein

Met de komst van de Omgevingswet ontstaat er een nieuw stelsel van regelgeving voor de fysieke leefomgeving, waarbij de huidige sectorale wetgeving wordt geïntegreerd in één afgestemd systeem. Ook het waterdomein gaat op in dit nieuwe stelsel. Jasper van Kempen neemt je tijdens dit webinar mee in de impact van de Omgevingswet voor de verschillende waterbeheerders in Nederland. Hierbij focust hij op de veranderingen die het nieuwe stelsel meebrengt voor vergunningverlening, toezicht en handhaving: wat verandert er, wat blijft hetzelfde en hoe heeft dit effect op de dagelijkse werkpraktijk?

Vragen en antwoorden

De onderstaande antwoorden kunnen geen concreet juridisch advies vervangen. Tevens is de wetgeving nog in ontwikkeling. De juiste/onderstaande antwoorden kunnen dus veranderen in de loop der tijd.

Decentrale regulering; Zegt dat ook wat over het beheergebied van RWS of waterschappen?

Het zegt niks over het beheergebied van RWS. Het zegt alleen iets over het beheergebied van waterschappen. Waterschappen kunnen in de Waterschapsverordering, de opvolger van de Keur regels stellen over wateractiviteiten in hun gebied, en die regels gelden dan natuurlijk alleen in hun gebied. Natuurlijk kan er overlap zijn tussen beheergebieden. Dus kan een beheersgebied van het waterschap liggen in Rijkswateren. Dan gelden zowel de rijksregels als de regels uit de waterschapsverordening.

Decentrale regelgeving. Bestaat hier niet het gevaar van wildgroei of is dit toch nog sterk gereguleerd?

Om met het laatste te beginnen, nee dit is niet sterk gereguleerd. Er bestaat een ruime mogelijkheid voor decentrale regelgeving, zowel in de vorm van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften als in de vorm van eigen regels die waterschappen zelf kunnen stellen waar het Rijk geen regels stelt. En natuurlijk in theorie bestaat het gevaar van wildgroei. Maar dit is niet de verwachting van de wetgever. De wetgever verwacht dat van de maatwerkmogelijkheid spaarzaam gebruik wordt gemaakt. Dat is gebaseerd op een evaluatie van o.a. het Activiteitenbesluit. En een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is vertrouwen. De wetgever heeft er vertrouwen in dat de decentrale overheden in goed overleg deze regels zullen stellen en dat zaken niet heel onlogisch op de ene plek wel gelden en andere niet. Dus in die zin is er geen verwachting van wildgroei. Maar het is wel mogelijk dat er verschil kan plaatsvinden; dit is ook een van de doelen van de wet met het uitgangspunt decentraal tenzij: de wetgever is van mening dat het lokale gezag veel beter kan afwegen welke regels relevant zijn in zijn beheergebied dan de centrale overheid dit kan. Er kunnen dus verschillen ontstaan, maar dit zijn dan verschillen die terecht zijn.

Wat is de rol van de ILT bij vergunningen eigen dienst?

Voor de 'vergunning eigen dienst' met betrekking tot vergunningplichten in rijkswateren, geldt dat formeel de mnister die vergunningen zelf aan zichezelf verleend. De wet bepaalt daarbij niet wie binnen het ministerie daarmee belast is. Het kan Rijkswaterstaat zijn of de ILT die dit namens de minister doen. Hierin is nog geen keuze gemaakt. De uiteindelijk te maken keus is een bestuurlijke afspraak, geen regel van de Omgevingswet zelf.

Wie weegt af of een aanvraag kan leiden tot "ernstige" nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en wat is de definitie van "ernstig ?

Deze definitie speelt een rol bij de beoordelingsregels voor vergunningaanvragen. Degene die afweegt of sprake is van ernstige nadelige gevolgen, is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunningaanvraag. “Ernstig” is bij mijn weten niet nader gedefinieerd. Dat zal aan het bevoegd gezag zijn om hier een oordeel over te vellen. Deze weigeringsgrond is bij amendement (Kamerstukken II, 2014/15, 33962, 151) toegevoegd als art. 5.32 van de Omgevingswet. De toelichting bij het amendement geeft aan: “In dit verband kan worden gedacht aan Q-koorts, vogelgriep e.d.”

Is er een termijn waarbinnen de waterschappen hun nieuwe verordening moeten opstellen?

Ja die is er. Dit is 2 jaar na 2021. Dan moet die verordening klaar zijn. Tot die tijd geld de verordering vanuit het Rijk inclusief de bruiddschat. Waterschappen mogen overigens al vanaf dag 1 van inwerkingtreding van de Omgevingswet een eigen waterschapsverordening vaststellen.

Is er een termijn vastgesteld voor de duur van de ‘bruidsschat’?

Zie antwoord op de vorige vraag: Ja, dit is 2 jaar na 2021. Dan moet de waterschapsverordening klaar zijn. Tot die tijd geld de verordering vanuit het Rijk inclusief de bruiddschat. Waterschappen mogen overigens al vanaf dag 1 van inwerkingtreding van de Omgevingswet een eigen waterschapsverordening vaststellen.

Zijn de beoordelingsregels hetzelfde of vergelijkbaar met de huidige beleidsregels?

De beoordelingsregels zijn inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de regels die nu staan in de Waterwet, met name artikel 6.21 Waterwet in samenhang met artikel 2.1 van die wet. Beleidsregels kunnen een nadere invulling geven van dat wettelijk beoordelingskader.

De regels uit het Bal gelden alleen voor ons eigen beperkingengebied (waar wij dus beheerde zijn) of ook voor de gebieden waar het waterschap beheerder is?

De regels ten aanzien van beperkingengebiedsactiviteiten die in het Bal zijn opgenomen, gelden inderdaad alleen in het beperkingengebied van het Rijk. De rijksregels over lozingsactiviteiten, gelden ook voor de gebieden waar het waterschap beheerder is.

Wordt onder lozingen ook ingrepen in de waterboden geregeld (al dan niet in het Bal)?

Een lozingsactiviteit is gedefinieerd als het direct brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam (zie de definitie van dit begrip in de bijlage bij de Omgevingswet). Deze definitie is inhoudelijk gelijk aan de huidige definitie van lozen in art. 6.1 Waterwet. Wanneer ingrepen in de waterbodem onder deze definitie vallen, zijn het lozingsactiviteiten. Daar verandert niets in met de komst van de Omgevingswet.

Waarom zou een aanvrager om een uitgebreide procedure vragen?

Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn, wanneer de aanvrager op voorhand meer duidelijkheid wil over de betrokken belangen, zodanig dat daar in een vroeg stadium rekening mee gehouden kan worden en zijn initiatief niet in een bezwaarfase alsnog onmogelijk blijkt.

Is er nog een koppeling van de beoordelingsregels met het water(beheer)programma?

De beoordelingsregels staan in art. 8.85 Bkl. Dat is een samenvoeging van artt. 2.1 en 6.21 Waterwet en 6.1a Waterbesluit. Daar staat dus inderdaad dat je bij de toetsing rekening houdt met het waterprogramma. Die programma’s kun je dan vervolgens gebruiken om een specifieke methode voor te schrijven voor hoe die toetsing moet verlopen (zoals bijvoorbeeld het Toetsingskader waterkwaliteit, dat nu als bijlage bij het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren is opgenomen).

4 jaar bezien is toch verplichting vanuit Europa?

Dat is een verplichting voor lozingen van zwartelijststoffen die inmiddels op Europees niveau is vervallen, maar nog wel geldt op grond van het huidige Nederlandse recht.

Er wordt veel over zwartelijststoffen gesproken, maar hoe zit het met de Opkomende stoffen en Zeer Zorgwekkende Stoffen?

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) vormen een ruimere groep dan de voormalige zwartelijststoffen. Voor sommige vergunningplichtige lozingen van ZZS, zet de ‘richtingaanwijzer’ van hoofdstuk 3 van het Bal de ZZS_module aan, waarin specifieke algemene regels zijn opgenomen over de lozing van die stoffen (minimalisatieverplichting). Opkomende stoffen worden onder de Omgevingswet niet als aparte stofgroep gereguleerd. Hiervoor bestaat onder huidig recht een beleidsmatige aanpak, die onder de Omgevingswet wordt voortgezet.

Ik mis in jouw verhaal de rol van de provinciale vergunningen voor grote onttrekkingen en kwo, hoe zit dat?

Deze vergunningplichten blijven ook onder de Omgevingswet in stand. Hoofdstuk 14 van het Bal regelt deze activiteiten.

Wie gaat de vergunning eigen dienst verlenen?

Voor de 'vergunning eigen dienst' met betrekking tot vergunningplichten in rijkswateren, geldt dat formeel de minister die vergunningen zelf aan zichzelf verleend. De wet bepaalt daarbij niet wie binnen het ministerie daarmee belast is. Het kan Rijkswaterstaat zijn of de ILT die dit namens de minister doen. Hierin is nog geen keuze gemaakt. De uiteindelijk te maken keus is een bestuurlijke afspraak, geen regel van de Omgevingswet zelf. Voor de waterschappen geldt dat de waterschapsverordeningen waarin de vergunningplichten worden opgenomen, nog gemaakt moeten worden. Daarin bestaat dus nog een keuze om al dan niet een vergunningplicht eigen dienst te creëren. Ook daar geldt dat de vraag wie zo’n vergunning zou moeten verlenen, een kwestie van interne afspraken betreft.

Al bekend of overtreding van de waterschapsverordening strafbaar wordt gesteld in de wet?

In het ontwerp van de Invoeringswet Omgevingswet (zoals dit ter consultatie heeft gelegen), is een aanpassing van de Wet op de economische delicten voorzien, op grond waarvan overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens (onder meer) artikel 4.1 Omgevingswet (grondslag algemene regels waterschapsverordening) en artikel 5.3 Omgevingswet (verbod om vergunningplicht gesteld bij waterschapsverordening te overtreden), aangemerkt worden als economische delicten. Zie voor meer details artikel 10.5 ontwerp Invoeringswet Omgevingswet.

Hoe is de vergunningverlening rond Rijkswegen geregeld?

Dat valt buiten de scope van dit webinar, dat alleen over VTH in het waterdomein gaat. Als algemeen antwoord geldt dat de regels over rijkswegen opgenomen zijn in hoofdstuk 8 van het Bal.

Hoe gaat T&H om met de zorgplichtbepalingen?

Dat is een vraag van implementatie en een in dat traject nog te maken keuze. De wetgeving geeft op die vraag geen antwoord en in algemene zin, gezien de stand van zaken van de implementatie, valt een antwoord nu nog niet te geven.

Vervalt de tijdelijkheid van een watervergunning door de inwerkingtreding van de Omgevingswet?

Nee, bestaande tijdelijke vergunningen behouden hun tijdelijkheid op grond van het nu voorziene overgangsrecht in het ontwerp van de Invoeringswet Omgevingswet.

Is het besluit om een stof als ernstig te bestempelen apellabel?

Ik neem aan dat bedoeld wordt ‘ernstig’ in relatie tot de nieuwe weigeringsgrond wegens ernstige nadelige gevolgen voor de volksgezondheid. In dat geval: ja. Dit is een beoordelingsregel aan de orde bij vergunningverlening en vergunningen zijn appellabele besluiten. Daarmee kan ook opgekomen worden tegen de motivering die ten grondslag ligt aan een besluit omtrent een aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij deze weigeringsgrond gehanteerd wordt.

Begrijp ik het goed dat de regels voor het wegbeheer ook in de waterschapsverordening worden opgenomen?

Ja, dat klopt, althans voor zover het betreft regels die het waterschap stelt binnen zijn reglementaire taak.

Zijn beoordelingsregels beleidsregels?

Nee, de beoordelingsregels staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor wateractiviteiten in de artikelen 8.85 en verder. Deze beoordelingsregels zijn inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de regels die nu staan in de Waterwet, met name artikel 6.21 Waterwet in samenhang met artikel 2.1 van die wet. Beleidsregels zijn gemaakt door een bestuursorgaan dat bijvoorbeeld belast is met de uitvoering van deze beoordelingsregels en kunnen een nadere invulling geven aan dat beoordelingskader.

Spreker

Mr. dr. ir. Jasper van Kempen is senior juridisch adviseur bij Rijkswaterstaat, waar hij adviseert op het terrein van het waterrecht en -beleid. In die hoedanigheid is hij nauw betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe Omgevingswet en bij de implementatie daarvan binnen Rijkswaterstaat. Hiernaast is Jasper geassocieerd onderzoeker bij het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law van de Universiteit Utrecht. In 2012 promoveerde hij op een proefschrift over Europees waterbeheer en rol van grensoverschrijdende verontreiniging binnen de Europese stroomgebiedbenadering.